't Is ier nu nog graakn.


"Bald is beautiful!", riep een wildvreemde me onlangs na op straat. "It is!", gooide ik terug. Sinds ik kaal ben, vliegen de complimenten me rond de oren. Als je nood hebt aan een boost voor je zelfvertrouwen ... Natuurlijk is de onderliggende boodschap 'Ik dacht dat mensen die chemo kregen, er beroerder uitzagen.', eerder dan 'Ge zijt een knappe griet, zo zonder haar.' Het is dat ik niet match met het beeld dat mensen hebben van kankerpatiënten en chemo krijgen.

Wat ik nog vaak te horen krijg, is hoe dapper en moedig ik ben. Ik word 'geprezen' om de positiviteit waarmee ik omga met mijn ziekte. Ik moet er altijd om glimlachen. Je moest eens weten, denk ik dan. Je moest eens weten hoe mijn gedachten alle kanten opschieten als ik ze eens een momentje alleen laat. Dan zie ik mijn vader voor me. Hij gaf samen met mijn moeder een rondleiding in het pas gekochte huis waar ze een vijftal jaar later naartoe planden te verhuizen. Hij was toen al zwaar ziek. Hij trok de voordeur achter zich dicht en zei tegen ons : " 't Is ier nu nog graakn." Het beeld staat op mijn netvlies gebrand en flitst zo goed als elke keer voorbij als ik op onze werf sta. De schrik slaat ook mij om het hart dat ik nooit in dat nieuwe huis van ons zal geraken. Of dan ik stel me de vraag waar mijn ziekenhuisbed zal komen te staan. In de zithoek? Met al dat glas? Dan krimpt mijn maag ineen als ik het valiesje van mijn dochter maak voor haar eerste chiro-kamp en vraag ik me af of dat wel goed komt: de man alleen, kleren kiezen en valiezen inpakken. Dan vraag ik aan de man om de as van ons derde kind samen met mij te begraven. Dan ween ik bij de gedachte dat ik misschien mijn kleinkinderen nooit zal kunnen vasthouden of bij het idee dat iemand anders dat in mijn plaats zou doen. Dan zit ik op een gezellig feestje, besef ik dat er nog zoveel leuks te beleven valt en dat ik niet klaar ben om dat allemaal te moeten missen. Dan vrees ik dat een chemobrein geen tijdelijk ongemak is, maar ook iets waarmee je moet leren leven. Dan lees ik een blog over een jonge mama van twee kinderen die anderhalf jaar na haar diagnose begraven werd en tel ik uit hoeveel maanden mij nog resten als hetzelfde lot mij is beschoren. Dan vraag ik me af vanaf wanneer kinderen bewuste herinneringen hebben en ik niet enkel dat kaartje op de kast zal verworden, maar hun mama zal blijven aan wie ze levende beelden overhouden.

Toen ik nog in onzekerheid leefde over uitzaaiingen, was de doodsangst zo reëel aanwezig dat ik amper aan iets anders dacht. Die continue doodsangst is wel gaan liggen, maar er is nog zoveel waarover ik me zorgen maak. Het overvalt me regelmatig en snijdt me de adem af, zeker nu ik de laatste chemo achter de rug heb en ik geen wekelijks onderhoud meer heb met een oncoloog maar terug moet gaan vertrouwen op mijn lichaam. Hoe moet dat dan, vertrouwen op een lichaam dat al jarenlang stiekem een tumor in zich droeg?

Kan ik die gedachten niet kwijt bij mijn omgeving? Natuurlijk wel, al merk ik verschillen. Er zijn mensen bij wie ik alles kwijt kan, waar doodsangst geen geschuifel op stoelen teweeg brengt. Daarnaast gebeurt het vaak dat ik mag ventileren, maar de punten voor sfeer en gezelligheid durven wel eens te kelderen als ik eerlijk op tafel gooi wat me bezighoudt als ik de slaap niet kan vatten. Er volgen advies, mogelijke oplossingen of een 'dooddoener'. Liefst zo rationeel mogelijk, uit een poging om de ongemakkelijkheid weg te toveren. Ja, we hebben allemaal alleen een vandaag en mogelijks geen morgen. Dat weet ik wel. En ik ben de eerste om toe te geven dat ik tegen mijn vader heb gezegd : "Tuurlijk wel!", ook al wist ik diep vanbinnen dat hij nooit zou verhuizen naar dat huis, dat dat pensioen nooit voor hem zou zijn. Ik kon toen zijn angst niet (h)erkennen. Ik wou hem troosten, hem hardnekkig overtuigen dat alles wel goed zou komen. Ik wou mijn eigen twijfels niet laten doorschemeren. Ik wou niet aan die mogelijkheid denken. Ik zie nu dezelfde dingen gebeuren rondom mij. Er zijn bijvoorbeeld mensen van wie ik denk dat ze niet geconfronteerd willen worden met de eindigheid van het leven, die dat deurtje naar dat kamertje willen dichtlaten. Ze willen er hun voet tegenzetten, de doorgang barricaderen, alles om niet te moeten weten dat dat een mogelijkheid is, noch voor mij, noch voor zichzelf, noch voor andere geliefden. Er zijn ook mensen die me gewoon willen troosten en met de beste bedoeling denken dat "Ik kan morgen ook onder een tram lopen" mij zal verlossen van mijn angst voor herval. Maar ondertussen weet ik: laat die angst bestaan en laat mij wenen tot het snot desnoods uit mijn neus drupt. Er bestaat zelfs een oplossing voor: reik mij een zakdoekje aan.

Reacties

Een reactie posten

Populaire posts van deze blog

Had je iets gevoeld?

Wat kanker me leerde ...

Frequently Asked Questions - part II